Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.12

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Vul in:
ei ...of...ij

 1. Wie veel geld heeft is rk.
 2. De timmerman werkt met een scherpe btel.
 3. Na april komt de maand m.
 4. De zee wordt tegengehouden door dken.
 5. Een msje draagt soms een rok.
 6. Van Nederland naar China is een verre rs.
 7. De man heeft een wfelende houding. (is onzeker)
 8. Kk naar het bord! zegt de meester.
 9. Strawberry is engels voor aardb.
10. Een grote steen noem je een k.
11. Bomen hak je om met een bl.
12. Azn is een zure vloeistof.
13. Timmeren doe je met een hamer en spkers.
14. Tussen vier en zes ligt vf.
15. Een doek waarmee je de vloer schoonmaakt heet een dwl.
16. In de bergen zijn stle hellingen.
17. Als je valt doet het pn.
18. Een ander woord voor vrolijk is bl.
19. Met behulp van een liniaal trek je een ln
20. De koe loopt in de w.
21. De trn stopt op het station.
22. Mijn opa rookt tabak met een pp.
23. De koningin woont in een pals.
24. Van druiven maakt men wn.
25. Een tger is een gevaarlijk dier.
26. Jan en Piet fietsen alleb.
27. Op een wondje plak je een plster.
28. Na regen komt zonneschn.
29. De voorzitter moet de vergadering lden.
30. Zonder wielen kan een auto niet rden.
31. Op zaterdag zijn de meeste mensen vr.
32. Deze klok geeft de juiste td.
33. Zwgen is beter dan onzin vertellen.
34. Met een boot kun je heerlijk zlen.
35. Het is nu bna half negen.
36. In het krt staan is niet leuk. (schulden hebben)
37. Een kzer is een soort koning.
38. Een jaar heeft vier szoenen.
39. Als iets kapot is kun je het soms lmen.
40. De eendjes zwemmen in de vver.
41. De Sahara is een grote woestn.
42. Bij een wedstrijd leidt de schdsrechter.
43. De metselaar staat bovenop de stger. (stellage bij hoog bouwwerk)
44. We zijn nu bijna aan het nde van deze les.
45. Ben je nu niet bl?