Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.11

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.

Vul één van de volgende woorden in:

hem  /  het  /  ze
 1. Het hek staat open. Doe jij even dicht?
 2. De borden staan op tafel. We moeten opruimen.
 3. De auto is erg vuil. Ik moet wassen.
 4. Het lesrooster is veranderd. Schrijf in je agenda.
 5. Oom en tante komen op vakantie. We halen van het station.
 6. De keuken ziet er mooi uit. Heb je schoongemaakt?
 7. De leerlingen gaan naar huis. Hebben vrij?
 8. De paraplu staat in de gang. Pak maar.
 9. Mijn geld is gevallen. Ik raap even op.
10. Heb je nog eten over? Geef maar aan mij.
11. Waar heb je je fiets neergezet? Ik heb niet gezien.
12. De boeken zijn nieuw. Wil je lenen?
13. Waar is jullie huiswerk? Ik zal nakijken.
14. Weet je niet wat dat woord betekent? Zoek maar op!
15. De planten zijn erg droog. Je moet water geven.
16. In de winter zijn er niet zoveel groenten. En zijn erg duur.
17. Ik vind deze broek niet mooi. Mag ik ruilen?
18. Het hoofdstuk is moeilijk. Je moet goed leren!
19. We kopen nieuwe schoenen. Zullen we eerst passen?
20. Hoe heet dat ding ook al weer? O ja, ik weet weer.