Nederlands voor anderstaligen
oefening 11.1

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.


Vul één van de volgende woorden in:

adres  /  afzender  /  ansichtkaart  /  briefje  /  E-mail  /  envelop  /  loket  /  postkantoor  /  postzegel  /  rechtsboven
 1. Postzegels koop je aan het in het postkantoor.
 2. Een postzegel plak je in de hoek.
 3. Ik stuur een uit Amersfoort met de Lange Jan erop.
 4. Op de achterkant van een envelop schrijf je de .
 5. Een versturen gaat sneller dan een brief.
 6. Als de brief klaar is stop je hem in een .
 7. In een groot zijn verschillende loketten.
 8. Zij is ziek. Haar vader schrijft een voor de leraar.
 9. Het schrijf je op de voorkant van een envelop.
10. Je moet op die brief een van 44 cent plakken.