Nederlands voor anderstaligen
oefening 10.8

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
leggen  /  zetten  /  stoppen
Vul in: goed of fout
 1. Hij zet de pen op de tafel.
 2. Hij stopt de pen op de tafel.
 3. Hij legt de pen op de tafel.
 4. Ik zet het geld in de portemonnee.
 5. Ik stop het geld in de portemonnee.
 6. Ik leg het geld in de portemonnee.
 7. Zij zet de deken op het bed.
 8. Zij stopt de deken op het bed.
 9. Zij legt de deken op het bed.
10. U zet de fles in de koelkast.
11. U stopt de fles in de koelkast.
12. U legt de fles in de koelkast.
13. Ik zet het cadeautje in de tas.
14. Ik stop het cadeautje in de tas.
15. Ik leg het cadeautje in de tas.
16. Hij zet zijn auto op de parkeerplaats.
17. Hij stopt zijn auto op de parkeerplaats.
18. Hij legt zijn auto op de parkeerplaats.
19. Het meisje zet de chocola in haar mond.
20. Het meisje stopt de chocola in haar mond.
21. Het meisje legt de chocola in haar mond.