Nederlands voor anderstaligen
oefening 10.4

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
        
        vergrotende trap:        
        overtreffende trap:    
   groot       
   groter   
       grootst   
 1. Jan is slim.  Piet is .  Kees is het .
 2. Het schrift is dun.  Dit schrift is .  Dat schrift is het .
 3. Deze boom is groot.  Die boom is .  Die boom is het .
 4. Dit huis is klein.  Dit huis is .  Dat huis is het .
 5. Ik ben jong.  Mijn zusje is .  De baby is het .
 6. Ons huis is laag.  Dit huis is .  Dat huis is het .
 7. De weg is lang.  De autoweg is .  Die snelweg is het .
 8. Die man is kaal.  Deze man is .  Oom Karel is het .
 9. De jas is goedkoop.  Deze is .  Die is het .
10. Deze paal is hoog.  Die is .  En die is het .
11. Willem is vrolijk.  Hans is .  Ansje is het .
12. Ik ben stout.  Mijn broer is .  Jij bent het .
13. Ik ben lastig.  Mijn zusje is .  Jij bent het .
14. De vis is vers.  Deze is .  Die is het .
15. Hij is langzaam.  Zij is .  Said is het .
16. Ik ben droevig.  Hij is .  Moeder is het .
17. Hij is leuk.  Hij is .  Haar vind ik het .
18. Karel is gek.  Hij is .  Maar hij is het .