Nederlands voor anderstaligen
oefening 10.2

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Voorbeelden:
Dit is een oud huis 
-  Dat is een ouder huis.
Dit is een grote kamer  
-  Dat is een grotere kamer.
 1. Dit is een mooi huis.  Dat is een huis.
 2. Dit een lange straat.  Dat is een straat.
 3. Dit is een klein kind.  Dat is een kind.
 4. Dit is een goedkoop vest.  Dat is een vest.
 5. Dit is een dikke jongen.  Dat is een jongen.
 6. Dit is een groot glas.  Dat is een glas.
 7. Dit is een vervelend boek.  Dat is een boek.
 8. Dit is een oude man.  Dat is een man.
 9. Dit is een nieuwe map.  Dat is een map.
10. Dit is een schoon gasfornuis.  Dat is een gasfornuis.
11. Dit is een duur gebouw.  Dat is een gebouw.
12. Dit is een laag plafond.  Dat is een plafond.
13. Dit is een grote bus.  Dat is een bus.
14. Dit is een vuil schoolplein.  Dat is een schoolplein.
15. Dit is een strenge dokter.  Dat is een dokter.
16. Dit is een nieuwe broek.  Dat is een broek.
17. Dit is een veilig kruispunt.  Dat is een kruispunt.
18. Dit is een leuk meisje.  Dat is een meisje.
19. Dit is een knappe man.  Dat is een man.
20. Dit is een lieve oma.  Dat is een oma.