Nederlands voor anderstaligen
oefening 10.1

Invuloefening

Klik onderaan de bladzijde op "Controle" als je helemaal klaar bent.
Voorbeelden:
Fatma is 15 jaar oud. Ahmed is ook 15 jaar oud.  
  Fatma is even oud als Ahmed.
Joke heeft 3 boeken. Hans heeft ook 3 boeken.
  Joke heeft evenveel boeken als Hans.
 1. Jan heeft vier mappen.  Piet heeft Jan.
 2. Oom Piet is 43 jaar oud.  Tante Ria is oom Piet.
 3. De school is 5 km ver.  Het station is de school.
 4. Saskia weegt 60 kilo.  Hij weegt Saskia.
 5. Hassan leest 2 kranten.  Ik lees Hassan.
 6. Peter heeft 8 cadeautjes.  Ria heeft Peter.
 7. Moeder is 1.78 m lang.  Vader is moeder.
 8. Mijn zus doet veel boodschappen.  Ik doe mijn zus.
 9. Deze tomaat weegt 100 gram.  Deze sinaasappel weegt de tomaat.
10. Jan rent hard.  Ik ren Jan.
11. Opa is oud.  Oma is opa.
12. Het raam is schoon.  De spiegel is het raam.
13. De flat is hoog.  De toren is de flat.
14. Nazife heeft veel cijfers.  Jij hebt Nazife.
15. De tafel is zwaar.  De kast is de tafel.
16. Het schrift is duur.  De pen is het schrift.
17. Ahmed maakt veel sommen.  Ik maak Ahmed.
18. De auto rijdt snel.  De trein rijdt de auto.
19. De kaars is heet.  De lucifer is de kaars.
20. Op de plank staan 4 boeken.  In de kast staan op de plank.